Menu Sluiten

Bob Evers B12 (1)

„Nog een paar halen, Jan,” fluisterde Arie even later.
Jan keek om, deed een paar slagen met zijn bakboords-
riem… en voelde de boot met een zacht ruisend geluid
vastlopen tussen het dorre riet dat hier nog van het
vorige jaar was overgebleven. De boot lag stil. Beide
jongens bleven zitten zoals zij aangekomen waren: Arie
gehurkt in de boeg, Jan aan de riemen. De wind dreef de
golfjes met muzikaal tinkelend geluid tegen de roeiboot,
ruiste droog in het dorre riet.

Op dat ogenblik duwde Jan Prins tegen Arie’s schouder:
„Er flikkert licht daar bij de brug!”
Korte tijd later wisten de jongens, dat het geen geflik-
ker van lichtseinen was, maar het heen en weer lopen
van iemand met een zaklantaren.
„Verdraaid, Jan! Dat is op de plaats, waar wij onze natte
kleren en papieren hebben achtergelaten.”
Jan bromde iets binnensmonds:
„Klopt. Het is bij die stapel balken. Net links van de
brug. Sukkels die we zijn! Hadden we die rommel maar
meegenomen! Nu is het licht weg!”